Vlinders

Vandaag vertel ik op mijn blog het verhaal van 10 maart vorig jaar. De dag waarop mijn leven volledig op zijn kop kwam te staan. Ik schreef ‘Vlinders’ in het kader van het vak Creatief Schrijven aan de Vrije Universiteit, afgelopen december en januari. Een jaar later voel ik mij o zo dankbaar, geliefd en héél gezegend. Tot snel, lieve allemaal. Liefs, Soof

The road ahead is empty

It’s paved with miles of the unknown

Whatever seems to be your destination

Take life the way it comes,

Take life the way it is.

City to City.

 

Voor Nanda

 

Vlinders

Trillingen verstoren de zachte bedding waarop ik de avond tevoren mijn hoofd heb neergelegd. De geur van pasgewassen haren kriebelt in mijn neus. Ik besluit stilaan overeind te komen. Kort schijnt er een vale gloed van onder mijn gekreukte kussen. ‘Oproep gemist. 3 minuten geleden.’ Lijden wordt het, zodra ik merk dat de volle tranen op mijn wangen, nu ook de weg naar de grond weten te vinden. Mijn beste vriendin is niet meer. Ik kan niets anders dan me sufstaren op het afwezige licht van het kaarsje langs mijn bedrand. De vloeiende brandstof is gedoofd. De hoop, waarmee ik het had aangestoken, gestold. Vanaf haar vakantieadres zal zij in de buik van het vliegtuig terugkeren. Dinsdag zal zij de luchthaven van Amsterdam weer vanuit de hemel kunnen zien opdoemen.

De middag van tien maart voel ik schokkende tintelingen door mijn handen schieten. De wisseling van het spoor geeft aan dat ik er samen met nog enkele tientallen reizigers ben. Mijn slimme telefoon beaamt dat. ‘Over vijftien minuten heeft u uw bestemming bereikt’. ‘Nog even en je ontmoet haar twee mannen. Eigenlijk ken je hen nog helemaal niet.’ Kort waant mijn hoofd zich terug naar afgelopen augustus, de maand waarin jouw jongen zich in het plakkerige zomerweer elf mocht noemen. Een ogenblik had je gevreesd dat zijn verjaardagsfeest volledig in het water zou vallen. Niets bleek minder waar. In het gezelschap van jou, zijn papa, plezier en mijn eerste chocolade ganache kwam het goed.

Ik haal mijn nerveuze hand uit mijn jaszak en bel aan. ‘Ik doe open!’ hoor ik na het verschijnen van zijn naam op de intercom. De laatste keer dat ik dezelfde fiere, maar gebroken stem hoorde, was vanachter het spreekgestoelte in de aula van het crematorium. Op de zevende etage stap ik uit de lift. Rechts de nummers 713 tot en met 723. Haar thuis herken ik ook nu nog aan de roze chrysant, die wiegend de voordeur omlijst. Voor mij klinkt de sleutel van het slot, het kraken van de klink.

Bij binnenkomst vangen mijn armen als eerste zijn brede schouders. Mijn slaap leunt rustig op zijn hals, terwijl zijn hoofd aan de andere kant dezelfde leuning vindt. Hoe lang wij daar staan weet ik niet. Ik schrik van plotselinge geweerschoten van achter de deur die op een kier staat. Hij grijnst en pakt me nog steviger in zijn armen. Ik volg zijn rugcontour en kijk dan opgelucht over zijn schouder naar jouw jongen, licht onderuitgezakt in zijn camouflagekleurige zitzak. Zijn duimen draaien razendsnelle rondjes op de controller. Als ik hem vraag hoe het gaat, kijkt hij mij met vertrouwde ogen aan. ‘Goed.’

Op tafel vind ik nu op jouw plekje een bord voor mij uitgestald. ‘Vinden jullie het goed als ik daar ga zitten?’ Ik ondervind geen enkele weerstand. Tussen de kruimels halen wij samen vooral herinneringen aan haar op. Moeiteloos zie ik haar weer achter de drie huisfretten aanzitten, die zich verdekt opstellen achter de verwarmingsombouw. Dan vind ik haar opnieuw aan de knutseltafel, waar ze meer dan eens haar vingers aan elkaar plakte. Als leeuwin had ze na schooltijd haar gedachten en liefde voortdurend aan haar welp toevertrouwd. Hij, tezamen met zijn papa, de liefde van haar leven. Instemmend haalt hij zijn vingers door zijn kuif en vraagt of hij van tafel mag.

Op de bank wordt haar telefoon vol foto’s en video’s erbij gepakt. Even slik ik binnensmonds. Plots herinner ik mij weer één van je laatste berichtjes: verzonden op de tweede prille januaridag. ‘Als ik terug ben, zoek ik de foto’s uit. Maak ik een album. Kom jij dan langs?’ Terwijl niet zij, maar hij intussen de thee inschenkt – ‘Love me Truly’ van het merk Clipper – stijgen haar laatste woorden als condens naar mijn hoofd. ‘Ik zie je snel in het nieuwe jaar. I love you.’

Palmbomen rijzen één voor één voor mijn ogen op. In beeld volg ik haar voeten, die bij lange na niet de blauwgrijze, troebele rijstvelden bereiken. Zes handen als steun in de rug. Zo stijg je steeds een stukje dichter bij de hemel. De dikgekrulde strengen vlas in je houdgreep, je armen wijd. Voor de diepte van het dal heb jij geen oog meer: the only way is up. Schommelen over de ‘Terrace River Pool’. Ook al werkte je lijf niet mee: je wilde, je ging en je deed het.

Zij begonnen hun reis op 22 december met een negentien uur durende vlucht naar Denpasar. Eenmaal daar werden steevast elke dag orchideeblaadjes in haar haren gedrapeerd. Boven het zwembad zwierven tal van vleermuizen rond. Hun bezoek aan de Balinese vlindertuin doet mij sterk aan Artis denken. Het stoffenatelier spreidt haar wonderlijke batiks uiteen. Gedurende de dagen werd er onderhandeld en gezocht naar het ware bestaan op Bali. Gek blijkt het om haar stem na amper twee maanden tijd weer terug te vinden. Als een sonar kaatst ze haar indrukken, vol tempels, markten en lotussen, weer even naar ons terug.

‘Heb jij nog dromen?’ vraag ik hem tussen het snuiten van mijn snotterneus door. Het blijkt een lastige, in de afgelopen tijd die voor hen vooral in het teken heeft gestaan van overleven. Toch blijft hij me zacht aanstaren, in een poging alsnog tot een antwoord te komen. Die avond besluit ik hem te vertellen over hoe ik jou het liefste dichterbij heb proberen te schrijven, ten tijde van gemis. Hoe ik mezelf in jou kon terug zien, hoe jij met je helpende handen als spiegel fungeerde. Op zijn beurt herinnert hij me aan je vertrouwen, optimisme en wilskracht. ‘Wisten wij daar in de jungle van Ubud maar dat haar lot vanaf dan anders zou worden bepaald’.

Zodra de nabije schemer subtiel de vensters binnendringt, is het voor jouw jongen langzaam tijd om naar bed te gaan. Buiten flitsen de lampen van de sterrenflats uit Wageningen en de bioscoop van Ede aan. ‘Laila tov, lieve jongen’ hoor ik hem nog gauw de slaapkamer in fluisteren. Het maakt opnieuw dat ik mijn tranen niet bedwingen kan. Waar eerder vandaag de grillige moessonregens, knetterbrommers en sarongs ons gesprek beheersten, kijk ik nu nog enkel naar jouw kleine jongen en een zichtbaar geroerd man, die opnieuw plaatsneemt naast mij op de bank.

Hij kruipt in de hoek van de bank en trekt het kussen tussen ons in voorzichtig aan de kant. Waar ik in eerste instantie mijn tranen zelf wil drogen aan mijn mouw, trekt hij mij liefdevol naar zich toe. Terwijl hij door mijn haren strijkt, laat ik mijn hoofd op zijn schouder glijden. Even is er de stilte. Geruisloos kruip ik voelbaar steeds dichter tegen hem aan. Zonder een woord te zeggen, gaat hij naast me liggen en staren wij elkaar minutenlang aan. Een paar keer kust hij mij troostend op mijn voorhoofd. Dan voel ik zijn warme lippen dichter naar de mijne komen. Luttele seconden schiet zij als enige nog door mijn hoofd. Tegelijkertijd is er voor mijn ziel geen andere weg terug.

Een voorstel van zijn kant brengt mij abrupt weer terug in de werkelijkheid. Plots zijn we ons gewaar van de doorgetikte tijd. ‘Je mag ook hier blijven slapen, dan slaap ik wel op de bank’. Als mijn ogen zich vermoeid over het beeldscherm van mijn mobiel buigen, volgt de bevestiging: het is al veel later dan ik dacht. ‘Als ik mij nu naar de dichtstbijzijnde bushalte haast, red ik waarschijnlijk nog net de laatste intercity van 23:49.’ Samen twijfelen we zichtbaar over de vraag wat nu verstandig is om te doen. Waar mijn hart aangeeft het er niet mee eens te zijn, besluit ik toch naar huis te gaan.

Bij de deur voel ik zijn handen door mijn jas op mijn schouders rusten. Opnieuw voel ik de tintelingen in mijn handen terug, als ik me richting de drempel begeef en me nog eens naar hem omdraai. Een vluchtige kus landt op mijn voorhoofd, gevolgd door een innige afscheidszoen. Weglopend over de galerij, voel ik mijn borstkas verspringen naar een voor mij nog onbekende versnelling.

In het pikdonker tref ik het verlaten station, thuis mijn papa. Hij zit op dit late uur nog verdiept in een kruiswoordpuzzel. Hij schrikt zodra hij mijn bleke, vermoeide hoofd ziet verschijnen. Het laatste bodempje whisky golft daardoor nog na in zijn glas. ‘Hoe voel je je?’ lijkt hij mij te willen vragen. ‘Je moest eens weten papa.’ Ook hem besluit ik voor het slapengaan nog een kus op zijn voorhoofd te drukken. ‘Slaap lekker.’ Terwijl ik de trap opstijg, kan ik nog maar aan één ding denken. ‘Vandaag heb ik haar gevonden in de palm van zijn hand’.

Sofia van Boven

 

One Reply to “Vlinders”

  1. Zo mooi geschreven! Annie oheev otach bibi!

Leave a Reply

CommentLuv badge